Algemeen

Een verblijf dat wel groot genoeg is: kooi, bak of zelfbouw

De maat waar het echt om gaat

Bij kleine dieren telt bijna alleen het bodemoppervlak. Hoogte helpt alleen bij soorten die klimmen — ratten, gerbils, vogels — en is voor cavia’s en konijnen vrijwel nutteloos. Een tweede verdieping oogt ruim in de winkel en voegt voor een cavia niets toe.

• Hamster: ongeveer 100 × 50 centimeter bodem, met minstens twintig centimeter bodembedekking. Graven is geen extraatje maar natuurlijk gedrag; een ondiepe bak maakt dat onmogelijk.

• Cavia (twee dieren): vanaf circa 120 × 60 centimeter, en meer is beter. Breedte gaat hier boven hoogte.

• Konijn: het hok is een slaapplek, geen woning. Dagelijkse vrije ruimte om te rennen hoort erbij, binnen of in een veilige ren.

Een goede test bij aanschaf: kan het dier zich in het verblijf volledig uitstrekken, drie of vier sprongen achter elkaar maken en zich ergens terugtrekken waar het niet gezien wordt? Kan dat niet, dan is het te klein, ongeacht wat er op de doos staat.

Tralies, glas of kunststof

Een keuze die meer uitmaakt dan gedacht.

Traliekooien geven de beste ventilatie, maar laten bodembedekking naar buiten vliegen en zijn ongeschikt voor gravers. Let op de tralie-afstand: bij dwerghamsters en jonge dieren is meer dan een centimeter al een ontsnappingsroute.

Glazen of kunststof bakken houden alles binnen en maken een dikke laag bodembedekking mogelijk — ideaal voor hamsters en gerbils. Nadeel is de ventilatie: er hoort een gaasdeksel op, en de bak mag niet in de zon staan, want hij wordt een broeikas.

Zelfbouw en modulaire hokken zijn voor cavia’s en konijnen vaak de goedkoopste manier om aan oppervlak te komen. Let dan op onbehandeld hout in de urinezone: dat trekt vocht en gaat ruiken. Een uitneembare kunststof bodembak lost dat op.

Wat er in het verblijf hoort

De inrichting bepaalt of de ruimte ook gebruikt wordt. Een lege kooi van een meter breed wordt maar half benut; een ingerichte kooi van dezelfde maat volledig.

• Schuilplaatsen: minstens twee, en bij twee dieren minstens drie — anders ontstaat er ruzie om de enige veilige plek.

• Hooi op ooghoogte van het dier, niet alleen in een ruif hoog aan de wand. Cavia’s en konijnen eten de hele dag door.

• Knaagmateriaal dat geen suiker bevat; onbehandeld fruithout werkt beter dan gekleurde knaagstenen.

• Een loopwiel voor hamsters en gerbils, met een gesloten loopvlak en groot genoeg dat de rug recht blijft. Een te klein wiel is schadelijk, geen speeltje.

• Een zandbad voor gerbils en chinchilla’s; dat is verzorging, geen decoratie.

Welke inrichting bij welke diersoort hoort, staat per soort uitgewerkt bij Dieren Voor Jou onder huisvesting.

De plek in huis

Drie dingen bepalen waar een verblijf hoort te staan, en ze worden alle drie vaak over het hoofd gezien.

Geen directe zon. Kleine dieren kunnen slecht tegen warmte; boven de vijfentwintig graden wordt het voor een konijn al vervelend. Een plek die ’s ochtends koel is, kan ’s middags een zonvlek zijn — kijk op verschillende momenten.

Niet op de tocht, maar ook niet in een hoek zonder luchtstroom. Ammoniak uit urine blijft anders hangen, en dat is de belangrijkste oorzaak van luchtwegproblemen bij knaagdieren.

Niet naast een slaapkamer als het dier nachtactief is. Een hamster in een loopwiel is ’s nachts goed hoorbaar, en het wiel op een kastplank versterkt het geluid als een klankbodem. Een rubberen matje eronder scheelt aanzienlijk.

Schoonmaken zonder het dier van slag te maken

Dagelijks de natte plekken en voerresten eruit halen kost tien tot vijftien minuten. De grondige beurt hoeft niet vaker dan één keer per week tot per twee weken — vaker is zelfs ongunstig, want de eigen geur is voor het dier houvast.

Praktische truc: laat bij het verschonen altijd een handvol oude, schone bodembedekking achter in het nest. Het dier herkent zijn verblijf dan meteen terug en gaat minder stressvol op zoek naar zijn plek.

Meer over verzorging, voeding en gedrag per diersoort staat op Dieren Voor Jou.